Invullen ouderschapsverlof mag niet zomaar worden geweigerd

Alleen met een zwaarwegend bedrijfsbelang mag een werkgever de invulling van het aanvullend geboorteverlof en (betaald) ouderschapsverlof (in overleg) van een werknemer aanpassen. De verlofopname moet hiervoor ‘ontwrichtend’ werken, oordeelde Rechtbank Midden-Nederland.

Tekst gaat verder onder de foto

De casus

Een werknemer van een softwarebedrijf diende in aanloop naar de geboorte van zijn kind herhaaldelijk, zowel mondeling én schriftelijk,  een verzoek in bij zijn werkgever voor het opnemen van betaald ouderschapsverlof. De werkgever wees de verlofverzoeken af en gaf de werknemer te kennen dat hij maximaal vier weken aaneengesloten geboorteverlof en ouderschapsverlof mocht opnemen. Na de geboorte van zijn kind spande de werknemer een kort geding aan tegen zijn werkgever, waarin hij de kantonrechter verzocht om de werkgever op te dragen hem zijn resterende aanvullende geboorteverlof én betaald ouderschapsverlof op te laten nemen.

→ Lees meer over nog hogere loonkosten per 1 juli

Omzetverlies, schadeclaims en uitval door afwezigheid

Ter verdediging gaf de werkgever aan dat er te weinig collega’s waren die het werk van de werknemer konden overnemen en dat er door zijn lange afwezigheid afspraken met klanten niet konden worden nagekomen. Personeel inhuren was volgens de werkgever geen optie, omdat de inwerkperiode te lang zou zijn. De afwezigheid van de werknemer zou dan ook leiden tot omzetverlies, schadeclaims en mogelijk tot uitval onder collega’s door een verhoogde werkdruk.

 

Geen uitzonderlijke en ontwrichtende situatie

Uit de onderbouwing van de werkgever bleek echter niet dat de afwezigheid van de werknemer ‘ontwrichtend’ werkte en niet via de normale bedrijfsvoering of door collega’s kon worden opgevangen. Bovendien had de werkgever door de herhaaldelijke en tijdige verlofverzoeken kunnen anticiperen op zijn afwezigheid. De rechter oordeelde dan ook dat er bij de werkgever geen sprake was van een uitzonderlijke en ontwrichtende situatie door de afwezigheid van de werknemer, waardoor het bedrijfsbelang van de werkgever niet zwaarder woog dan het wettelijk recht van de werknemer. De werknemer kreeg zijn verlof zoals gewenst.

Rechtbank Midden-Nederland, 4 april 2024, ECLI (verkort): 2352

Meer over:

Delen via:

Meer actualiteit op het gebied van HR

De PVV, VVD, NSC en BBB zijn het eens geworden over een hoofdlijnenakkoord. Wij vinden het interessant wat hierin …

De kosten van overwerk in de WW-premie gaan per 1 januari 2025 omlaag bij grote vaste contracten. De ministerraad …

Het minimumuurloon bedraagt per 1 juli 2024 bruto € 13,68 per uur. Dat is een stijging van 3,09% ten …

Alles over HR